dinsdag 13 augustus 2013

Ben ik nou zo slim of zijn jullie zo dom?


Bezetting inrichting Dennendal: Leve de gekte

Eind jaren 60 kwam er een anti-psychiatrie stroming op gang. Een groepje hippies spoorde de patiënten aan hun pillen weg te gooien en hun gekte te vieren. Krankzinnig natuurlijk, wat aan een geestesziekte is niets grappigs. Misschien wel voor de buitenwereld, de man die beweert dat hij Napoleon is en als zodanig aangesproken wil worden, is om te gillen.

Zeg maar Bonaparte

Ik begrijp wel waar dat of die idee vandaan kwam. De psychiatrie stond nog in zijn babyslofjes en dr. Freud had de ontwikkeling in de psychiatrie jarenlang gestagneerd met de overtuiging dat vrouwen gemankeerde mannen waren. Met dat in je achterhoofd kom je, als dokter, tot vreemde diagnoses waar de zieke niets aan heeft. De behandeling van depressieven, schizofrenen, mensen met dwangneuroses enzovoorts bestond uit het toedienen van een pil die het effect had van een mokerslag. De bewoners van de inrichtingen werden gedegradeerd tot zombies. Dat is natuurlijk geen oplossing.

Tegenwoordig weten de knappe koppen veel meer over de hersenen en zijn de medicijnen verfijnder afgesteld en gericht op het gebied in je hoofd waar de stoornis zit. Maar dan nog heb je niet te maken met genezing. Je blijft als een soort invalide kreupel door het leven gaan. Geestesziekten zitten zo ingewikkeld in elkaar, dat ze soms onoplosbare puzzels zijn. Men is er ondertussen wel achter gekomen dat een individuele aanpak noodzakelijk is. Maar ook dat de psychische aandoening niet altijd veroorzaakt wordt door traumatische gebeurtenissen maar simpelweg door een virus of een bacterie. Lig je 50 jaar voor niets bij de psychiater op de bank over je jeugd te bazelen. Het advies om je medicijnen door de plee te spoelen en je angsten en dwanghandelingen je leven te laten overnemen, is net zo bespottelijk als de diabeticus die zonder zijn insuline besluit te leven. Voor je het weet lig je in een coma of denk je dat je kunt vliegen.

Louis van Gaal: 'Dit is een retorische vraag'


Ik ben al jaren gefascineerd door geestesziektes. Dat is uiteraard het gevolg van mijn opname in een psychiatrische kliniek begin jaren 80. Ik had toch nooit kunnen dromen dat ik daar nog eens terecht zou komen. Afgezien van de onkunde van de behandelaars en het uitblijven van verbetering in mijn situatie, gaf het me wel de gelegenheid mijn medepatiënten te observeren. Een buitenkans. Je leest weleens over journalisten die zich een week laten opsluiten tussen de gekken en denken dat ze de situatie kunnen doorgronden. Een psychiater beweerde dat alle anti-depressiva dezelfde werking hadden, hij had ze namelijk zelf uitgeprobeerd. Dat was misschien wel de grootste schok, de onnozelheid van de specialisten. Jammer dat Van Gaal de uitspraak: 'Ben ik nu zo slim of zijn jullie zo dom', nog niet gemaakt had, want die had ik te pas en te onpas kunnen gebruiken.

Eén van mijn medepatiënten 

Maar goed, over gekke mensen gesproken. Ik had in die kliniek mijn eigen kamer aan het eind van de gang. Ik kan me nu bijna niet meer voorstellen hoe uitzichtloos de situatie was. Elke ochtend als ik wakker werd dacht ik: 'O nee, hoe kom ik in godsnaam deze dag door.' Door het gebrek aan beweging viel ik moeilijk in slaap en was ik eenmaal onder zeil, dan werd ik bezocht door de meest gruwelijke nachtmerries. Alleen al in bed gaan liggen was een marteling, ik wilde rust die nooit kwam. 'De rust van een kist', zong Jaap Fischer. Op een avond vlak voor kerstmis, het was een uur of elf, klonk er vanaf de verdieping onder mij een aanhoudend gebrul van een man. Het leek nog het meeste op het geluid van een mannetjesolifant die razend is. Of de Hulk die doordraait. Een  woede die iemand bovenmenselijke krachten geeft. Het bleef maar aanhouden en van slapen zou geen sprake meer zijn. Om twaalf uur liep ik naar het kantoortje waar de nachtverpleegkundige dienst had. 'Kunnen jullie die man niet iets kalmerend geven?', vroeg ik, ' dit is niet te doen, ik ben de wanhoop nabij.' Ze legde uit dat de patiënt in de isoleercel zat, de ruimte pal onder mijn kamer, en dat geen enkele spuit of pil effect had op zijn gemoedstoestand. Een paar keer per jaar kreeg hij zo'n aanval en het enige wat de behandelaars konden doen, was hem opsluiten in een kamer waar hij geen kwaad kon.

Het gebrul duurde tot zonsopgang. De volgende nacht was hetzelfde, razernij tot het licht werd. In de ochtend dommelde ik even in slaap en werd wakker met de klanken van een orgel. Het ene kerstlied na het andere werd gespeeld. Het gedreun van de orgelklanken was in ieder geval beter te verdragen dan de agressieve, angstaanjagende furie van de dolgedraaide man.
Ik was wel nieuwsgierig wat er nu precies veranderd was. 'Ze hebben zijn orgel in de isoleercel geplaatst', vertelde de verpleegkundige,'dat is het enige dat hem rustig maakt.'

Een paar dagen later nadat de rust was weergekeerd, kwam de betreffende patiënt langs. Een grof gebouwde man, waarschijnlijk uit de bollenstreek, met een dom onnozel hoofd. Wel iemand die je niet tegen het lijf moet lopen als hij boos wordt.

2 opmerkingen: